Retour

Belasting op materieel en gereedschap: In hoeverre zal de Waalse regering bijsturen?

AdminAdmin

De herinvoering van de belasting op productieve investeringen in Wallonië – via de belasting op drijfkracht en de onroerende voorheffing op materieel en outillage – heeft een schokgolf veroorzaakt onder de industriëlen.

Sommige bedrijven spreken van een "vertrouwensbreuk", andere wijzen op een financiële klap die niet in hun businessplan was opgenomen.

Een mokerslag

Volgens onze eerste schattingen, verkregen via simulaties bij onze industriële klanten, dreigt het financiële effect de concurrentiekracht van bedrijven te ondermijnen. "Een middelgroot bedrijf dat over vijftien jaar 100 miljoen euro heeft geïnvesteerd in de modernisering van zijn vestiging, zou vanaf 2026 opnieuw een jaarlijkse onroerende voorheffing van 800.000 tot 1 miljoen euro kunnen zien opduiken. Een aanzienlijke stijging, onafhankelijk van nieuwe investeringen, die de vaste kosten van de vestiging duurzaam zou verzwaren."

Meer algemeen geldt dat "elk bedrijf dat onroerende voorheffing betaalt op zijn machines en gereedschap, vanaf het volgende aanslagbiljet minstens een verdubbeling van het deel van de voorheffing dat verband houdt met deze uitrusting zou moeten vaststellen".

Ministers onder druk

Onder druk liet de Waalse regering enkele dagen geleden doorschemeren dat ze bereid was de maatregel te herzien. In een interview met L'Echo op 7 februari erkende minister van Economie Pierre-Yves Jeholet (MR) dat de regering "deze impact tijdens het conclaaf duidelijk had onderschat". Hij acht het nu noodzakelijk om "de koers te corrigeren ten gunste van de bedrijven. In een context waarin we spreken over concurrentiekracht en industriële soevereiniteit, kunnen we dit niet zo laten."

Zal Wallonië, net als Vlaanderen, de machines en het gereedschap uit de basis van de onroerende voorheffing voor bedrijven halen?

Of zal het systeem marginaal worden aangepast om een schokgolf te voorkomen?

In het debat heeft de Socialistische Partij, die in Wallonië in de oppositie zit, een voorstel van decreet opgesteld dat zij binnenkort zal voorleggen aan het Waals Parlement om de nieuwe regeling te wijzigen.

Dit voorstel:

  • verlengt de vrijstellingsperiode voor de belasting op drijfkracht van 5 naar 10 jaar;
  • past de regeling van de onroerende voorheffing op machines en gereedschap aan om een vrijstelling van 10 jaar te garanderen;
  • vrijstelt investeringen die vanaf 1 januari 2016 zijn gedaan;
  • en voorziet in een retroactieve inwerkingtreding op 1 januari 2026 om het fiscale jaar 2026 veilig te stellen.

"Concreet zouden alle investeringen die vanaf 2016 zijn gedaan, voor een periode van tien jaar worden vrijgesteld, wat de schok voorkomt en bedrijven meer zekerheid biedt", aldus de PS.

Waarover gaat het?

De hervorming van de onroerende voorheffing op machines en gereedschap, eind 2025 goedgekeurd door het Waals Parlement, bepaalt dat alle investeringen in nieuwe machines en gereedschappen die tussen 1 januari 2006 en 31 december 2020 zijn gedaan, vanaf dit jaar opnieuw via de onroerende voorheffing zullen worden belast. De vrijstellingen voor investeringen die tussen 2006 en 2020 zijn gedaan, komen hiermee te vervallen.

Voor investeringen die tussen 1 januari 2021 en 31 december 2025 zijn gedaan, voorziet het decreet in een dynamisch systeem, met een vrijstelling beperkt tot vijf boekjaren.

Ten slotte kan elke investering die vanaf 2026 in nieuw gereedschap wordt gedaan, ook gedurende vijf aanslagjaren worden vrijgesteld van voorheffing.

Wat betreft de belasting op drijfkracht, die onder de gemeenten valt, hanteert de hervorming dezelfde vrijstellingsprincipes. Ze voegt er echter enkele uitzonderingen aan toe voor de energiesector, met de vrijstelling van turbines van de belasting op drijfkracht.